VERHALEN:

"Ik dacht eerst dat het een rot-geintje was"

Teun van Wijk vertelt zijn verhaal

‘Nee, ik ben geen crimineel, maar ik heb wel enkele keren met de gevangenis aan de Noordsingel te maken gehad.' Aan het woord is Teun van Wijk. 'Als lid van een koperkwartet speelden we tot twee keer toe in de gevangeniskapel. Maar ik heb helaas ook een minder leuke herinnering aan de Noordsingel. Op 6 mei 1988, ik was toen 57 jaar oud, werd ik omstreeks 1 uur ‘s middags overvallen op de Bergselaan. Ik voelde plotseling een arm om mij heen en kreeg een mes op de keel. Ik dacht eerst dat het één of ander rot-geintje was en draaide mij om. Maar toen ik een vreemde tronie zag, kreeg ik de schrik van mijn leven. Ook de dader schrok en stak gelijk toe. Gelukkig voor mij, zo bleek later, was hij linkshandig en het mes kwam daardoor niet in mijn hart, maar in mijn longen terecht. Er was meteen overal bloed. Al wankelend kon ik nog op een bel drukken, maar de bewoonster hoorde me niet want ze stond net onder de douche. Ik was inmiddels in elkaar gezakt. In mijn onderbewustzijn hoorde ik de sirene van een ziekenwagen. Wat me verder nog bij staat, is dat ik op een brancard gesmeten werd en dat het daarna donker werd.

Hou die man vast
De politie deed een buurtonderzoek, maar zonder resultaat. Wel meldde zich ‘s avonds op het hoofdbureau van politie aan het Haagseveer iemand die naar mijn toestand informeerde. De agent bij de receptie belde naar het bureau waar de Bergselaan onder viel en daar zei men: “Hou die man maar vast, misschien weet hij er meer van.” Dat bleek ook zo te zijn. Het was een jongeman van 22 jaar die na het overlijden van zijn vader op het verkeerde spoor was geraakt, schizofreen en drugs-verslaafd. Een dag vóór de overval op mij was hij ontslagen uit de Bouwman-kliniek.

Na de rechtszaak kwam er een mevrouw naar mij toe die vroeg of ik meneer van Wijk was. Blijkbaar had zij dit aan mijn gespannen gezicht gezien. We raakten met elkaar in gesprek en zij vertelde mij dat de dader haar zoon was, die ze regelmatig in gevangenissen bezocht.

Gescheurd en vol bloedvlekken
Ongeveer een jaar na deze rechtszaak kreeg ik van de rechtbank bericht dat ik mijn kleding van de dag van de overval kon komen ophalen. Na een half uur wachten in het Gerechtsgebouw aan de Noordsingel kreeg ik twee pakketjes mee. Maar die wilde ik liever niet zelf open maken. Op weg naar huis kwam ik langs een van mijn klanten en ik vroeg hem om hulp. Hij nam de pakketjes mee naar de achterkant van zijn winkel, opende deze en kwam vervolgens lijkbleek terug om mij te vertellen dat hij alles meteen had weggegooid. Het overhemd en het colbertjasje waren gescheurd en zaten vol bloedvlekken Afschuwelijk dat Justitie zoiets durfde mee te geven! Ik had het daar erg te kwaad mee. Bij deze hele zaak ben ik altijd wel heel dankbaar geweest voor de bijstand van de politie en van Slachtofferhulp. Zij kwamen ook in de maanden daarna regelmatig langs om te informeren hoe het met me ging.’