VERHALEN:

"De dakpannen vlogen langs mijn oren"

Brandweerman Cees van Yperen vertelt...

‘Tijdens een bezoek aan een van mijn oud-collega’s van de Rotterdamse brandweer spraken we over de tijden van weleer. Een van de gebeurtenissen uit die tijd kan ik me nog haarscherp herinneren. Op 20 juli 1964 ging het brandalarm af. Op aanvraag van de politie moesten we met spoed naar de Bergstraat, een van de straten naast de gevangenis.

Blauwe zwaailichten
Met blauwe zwaailichten en onze sirenes aan, gingen we meteen op pad. Ik was die dag chauffeur van de ladderwagen. We wisten natuurlijk niet wat we ter plekke zouden aan treffen, maar er bleken dus drie gedetineerden ontsnapt te zijn. Via een klein dakraam waren ze op het dak van het Huis van Bewaring terecht gekomen. Een plek die onbereikbaar was voor de bewaking. Omdat de leiding bekend was met de reputatie van de drie uitbrekers, vond men het te gevaarlijk om de aanwezige politiemannen één voor één door dat kleine dakraam te laten klimmen. Dus werd besloten om met een waterstraal de ontsnapten bij het dakraam weg te spuiten, met het idee ze daarna op eenvoudige wijze weer in de cel te krijgen.

Juiste positie
Onder het toeziend oog van een massa nieuwsgierigen manoeuvreerde ik de ladderwagen eerst in de juiste positie. Daarbij werd ik nauwlettend gade geslagen door de drie mannen op het dak, die op hun gemak een sigaretje stonden te roken. Om de ladder meer stabiliteit te geven, draaide ik ook de stempels uit. Op dat moment schreeuwde de oudste van het drietal, en waarschijnlijk ook de initiatiefnemer van de hele ontsnapping, naar mij: “Als je die ladder opzet, gooi ik je hartstikke dood”.

Dakpannen
Een gewaarschuwd man telt voor twee, dus ik zette mijn helm op en startte de handelingen om de ladder op te richten. Met één oog hield ik mijn instrumenten in de gaten en met mijn andere oog het drietal op het dak. Die hadden inmiddels alle drie een dakpan in hun handen die ze op commando van de oudste tegelijkertijd naar beneden keilden. Gelukkig wist ik de dakpannen met een paar zijbewegingen te ontwijken, maar er vlogen al snel meerdere dakpannen langs mijn oren, die kletterend tegen de wagen in stukken uiteen vielen. Het platform van de ladder en het plaatwerk zouden er die dag niet ongeschonden vanaf komen. Door de ladder te draaien, kwam deze gelukkig tussen mij en de werpers te staan.

Klem
Opeens gebeurde er van alles tegelijk. De ontsnapte gedetineerden werden aangemoedigd door de samengestroomde menigte. Er waren zelfs mensen in het publiek die dreigden de brandslangen door te snijden. Dus vuurde de politie waarschuwingsschoten af, ook omdat de ladder nog niet in de positie stond waarmee ik hem in zijn vergrendeling kon laten zakken. Een overijverige politieman vloog vervolgens zonder mijn toestemming de ladder op en kwam met zijn vingers tussen de treden klem te zitten. Nou, die ging tekeer als een speenvarken. Alle consternatie werd uiteindelijk één van de ontsnapten te veel. Trillend en compleet over zijn toeren stond hij half huilend op de dakrand, zodat iedereen dacht dat hij wilde gaan springen. Bliksemsnel werd het springzeil in stelling gebracht, maar bij nader inzien bleef de man toch maar liever boven.

Vereende krachten
Onder een spervuur van dakpannen en met luid gejoel van het publiek, konden de politiemannen en mijn collega-brandwachten toch via de ladder het dak opklimmen. Eén van mijn collega’s werd geraakt op zijn bovenlip en hij moest later gehecht worden. Met vereende krachten werden de ontsnapten bij de lurven gepakt en via het dakraampje terug naar hun cellen gebracht.

Celstraf
Uiteindelijk werden de drie uitbrekers op 17 november veroordeeld tot 28 dagen celstraf. De oudste, die werd gezien als de aanstichter, kreeg een celstraf van twee maanden.’